Voorhistorisch tennis 30-07-2006
Jaar : 1900
Wie vandaag de dag via de televisie naar een van de grote toernooien zit te kijken, kan zich maar moeilijk inbeelden hoe op het einde van de vorige eeuw een partij tennis zou zijn verlopen.
In het boekje 'Les quatre cents coups' van de Franse auteur André Lichtenberger en uitgegeven bij de Editions du Nouveau Monde vonden we de beschrijving van zo'n wedstrijd. De schrijver tekende met een grote opmerkingsgave en niet zonder humor het verloop van een tenniswedstrijd op een hobbelige weide. "Onze rackets waren scheve, oneffen voorwerpen, afgeleid van de rackets die bij het korte kaatsspel (courte paume] werden gebruikt en waarvan de steel ons geweldig hinderde. Som-
mige spelers trachtten het racket bij het uiteinde van de steel vast te houden zoals verfijnde heerschappen mes en vork vasthouden. Maar deze nieuwigheid was niet meer dan aanstellerij.
Om te beletten dat het racket zou draaien, greep men het 'bij de wortel' vast, wat dan weer meer overeenkwam met het spelen met de tamboerijn, waarmee we meer vertrouwd waren. Op die manier werd de steel heel hinderlijk. Bij elke slag kreeg men de steel tegen de buik of tegen de zijde, vooral als men zich waagde aan een backhand (deze gevaarlijke slag die met beide handen kon worden uitgevoerd noemde men 'coup de gauche'). Praktisch aangelegde lieden zaagden gewoon de helft ervan.
Zo werden er matchen gespeeld rackets tegen tamboerijnen of gemengd. De vrolijke welluidendheid van de tamboerijnen had in de ogen van velen een voordeel op de melancholische stille snaren. De rubberen ballen van toen waren met vilt overtrokken. Wat ons daarbij vooral opviel, was de hoge prijs die ervoor moest worden betaald en zoals alle voorlopers waren we niet bereid er veel geld aan te besteden. Met schrik zag men zijn 'kapitaal' hoog in de bomen of in het kreupelhout vliegen of slechter nog in een vijver. Wie onbesuisd zijn eerste bal wegsloeg, wat tot lang zoeken aanleiding gaf, werd maar scheef bekeken.
Onder welopgevoede lui sloeg men al vlug voor de vorm de aanvangsbal in het net en speelde men de tweede voor goed. Het kon goed zijn dat van de eerste voor het net bedoelde bal de naad losging of de vilten overtrek er afviel. De 'goede' was voor de tweede opslag gereserveerd. Er werd toen ook al met naakte ballen van gevulcaniseerd rubber gespeeld. Bij regenweer hadden zij het voordeel dat ze geen water opslorpten en op de koop toe waren ze goedkoper. Maar al vlug stond het goed deze rubberen ballen met verachting van de hand te wijzen. Hetzelfde gold voor rode vilten en veelkleurige ballen. Wat de terreinen betrof, beperkte men enigszins zijn eisen. Grasvelden of vlakke'min of meer gemacadamiseerde speeloppervlakken deden het goed. Maar men speelde ook in slijkkuilen, op heidevelden of op hobbelige bodems.
De natuurlijke bodemoneffenheden maakten deel uit van de onvoorziene omstandigheden van het spel. De vaardigheid van de speler bestond erin de hinderpalen in eigen kamp teniet te doen en van die van de tegenstander gebruik te maken. Men kon enorm plezier beleven aan het te pletter slaan van de bal tegen een boom, of het projectiel precies in een waterplas in het kamp van de tegenstander te doen landen of op een rotsachtige kam te laten botsen. De kledij van de tennisspeler was eenvoudig. Sommige snobs trokken ander schoeisel aan. In het algemeen trok men alleen zijn jas uit. Wie gemakkelijk transpireerde, deed ook zijn losse boord, zijn vest en zijn bretellen uit. Het net werd in het midden opgehouden door een stok die hoger was dan de uiteinden, maar gemakkelijk omviel ofwel omdat de touwen slecht waren gespannen of rot waren geworden, ofwel omdat de grond niet geschikt was voor het inheien van de palen.
Het oogde zeer slecht als men de bal te hard in het net sloeg. De grenzen van het speelterrein waren aangeduid met linten of met strepen die met een wandelstok waren getrokken. Ze waren theoretisch rechtlijnig, maar konden
worden uitgeveegd, wat dan weer allerlei discussies kon uitlokken.
Mocht de ontvanger de bal in de vlucht terugslaan? Heel lang heeft men daar geen punt van gemaakt, want een vliegbal was in de meeste gevallen een gewaagde slag. Toen de vliegbal steeds meer ingang begon te vinden, aarzelden sluwe vossen niet elke bal boven het net op te vangen. Men was genoodzaakt tegen dat misbruik in te gaan, anders zou het spel teniet worden gedaan. Later bakenden lijnen die loodrecht op het net waren getrokken de speelruimte van iedere speler af. Wie het domein van zijn partner om welke reden ook schond, werd uitgescholden."
Het tennis van de 'prehistorie' had in feite niets te maken met het tennis van vandaag.
Bron : Carlos De Veene/Jacques Hereng
Frederik
Vermeire (Foto : Tennismuseum.nl)
|
|
|
|
 
|
|